Toelichting op deze vertaling van de Internationale Regels
door Harmjan Lammers
Deze Nederlandse vertaling van de Internationale Regels (IR) is tot stand gekomen in de periode
2024–2025 en gebaseerd op de versie uit 2002, inclusief de officiële aanvullingen daarop (zie punt
1.18). In deze uitgave zijn zowel deel 1 (de algemene regels) als deel 2 (de regels voor competities)
opgenomen.
Na de opheffing van de CPI (Committee of International Problemism) worden er geen officiële
toernooien meer vanuit deze commissie georganiseerd. Hierdoor is deel 2 van de regels verouderd.
Toch is dit deel opgenomen, omdat het nog steeds enkele waardevolle bepalingen bevat die nuttig
kunnen zijn voor toekomstige toernooiorganisatoren. Voor de vertaling van de competitieregels is
uitsluitend gebruikgemaakt van de versie uit 2010 (zie punt 2.11), vanwege de vele wijzigingen ten
opzichte van de oorspronkelijke regels uit 2002.
Deel 3 (regels voor eindspelen) en deel 4 (regels voor Zadachi-problemen) zijn in deze vertaling niet
opgenomen.
Over de versie van 2016
In 2016 verscheen een nieuwe, onofficiële versie van de Internationale Regels. Deze bevatte een
herziening van artikel 1.16 (problemen met dammen), gepubliceerd naar aanleiding van het officiële
wereldkampioenschap C-problemen 2015 en ter voorbereiding op het onofficiële
wereldkampioenschap van 2017.
Hoewel ook de competitieregels licht werden aangepast, is deze 2016-versie nooit officieel
bekrachtigd. Bovendien bevat deze versie diverse fouten en onduidelijkheden. Om die reden zijn de
wijzigingen uit 2016 niet overgenomen in de huidige vertaling.
Onduidelijkheden in de oorspronkelijke regels (2002–2010)
In de oorspronkelijke tekst van de Internationale Regels en de aanvullingen daarop kwamen enkele
onduidelijkheden voor, die in deze vertaling zijn gecorrigeerd. Hieronder worden ze toegelicht.
-
Artikel 1.11 behandelt composities met meerdere TV’s. Ter voorkoming van misverstanden is
een toelichting toegevoegd over het onderscheid tussen polyproblemen en composities met
meerdere TV’s.
-
Aan artikel 1.13.1 is in 2010 een punt f en g toegevoegd. De toevoeging van 1.13.1g (het
uitsluiten van een nevenoplossing) is omstreden. Hieronder een voorbeeld ter illustratie van
1.13.1g.
In deze vertaling is ervoor gekozen 1.13.1g niet over te nemen. Wanneer dit wel gedaan zou
worden, heeft een zwarte schijf bijna altijd wel een functie en heeft het gehele artikel van
1.13 weinig nut. Artikel 1.15.2 beschouwt bovendien een zwarte schijf die uitsluitend een
nevenoplossing voorkomt, wél als figurant — wat strijdig is met 1.13.1g. Omdat de wijziging
uit 2010 niet consequent in de overige artikelen is doorgevoerd, is besloten de toevoeging te
laten vervallen.
Voorbeelddiagram
22, 33, 34, 4, 36. Schijf 26 is toegevoegd om een nevenoplossing
te voorkomen. Volgens de regels van 2002 zou schijf 26 een
figurant zijn; volgens de aanvulling van 2010 niet meer.
-
Artikel 1.14 vermeldt dat een latente figurant mag worden opgenomen om de TV te
behouden wanneer het weglaten ervan tot een nevenoplossing of dualiteit leidt. De officiële
tekst voegde destijds toe: “of het risico daarop”.
Door de huidige analysemogelijkheden is het onderscheid tussen ‘een risico’ en ‘een
feitelijke’ nevenoplossing of dualiteit overbodig geworden. Deze toevoeging is daarom
geschrapt. Het voorbeeld bij dit artikel (diagram 61, D. de Ruijter, De Problemist, feb. 1992)
bevat overigens zelf een nevenoplossing wanneer schijf 8 wordt verwijderd. Omdat er geen
beter alternatief beschikbaar was, is dit voorbeeld behouden.
-
Artikel 1.15.3 bevat in de versie van 2002 een onjuist voorbeeld (diagram 75) van zwarte
stukken die figuranten zouden zijn in een compositie die eindigt in een multi-oppositie. De
schijven 4 en 7 maken echter nog diverse zetten voordat zij in de multi-oppositie belanden,
waardoor zij volgens 1.13.1a géén figuranten zijn. In deze vertaling is dit voorbeeld
gecorrigeerd, en is een extra diagram toegevoegd waarin de zwarte schijven wél als
figuranten gelden — conform de bedoeling van 1.15.3.
-
Artikel 1.17.e is bedoeld om onderscheid te maken tussen verschillende typen
eindspelposities. Aan de ene kant staan stellingen zoals 6/K16, 26/K36 en 35/K45; aan de
andere kant stellingen zoals 32/K42, 33/K43, 38/K48 en 39/K49. Bij het weggeven van de
laatste zwarte schijf kan wit in zulke gevallen kiezen op welk veld hij zijn dam plaatst. Zulke
veldkeuzes zijn in principe niet toegestaan, omdat ze leiden tot meerdere mogelijke
oplossingen. Voor enkele specifieke stellingen, namelijk eindspelposities zoals 32/K42,
33/K43, 38/K48 en 39/K49 is een uitzondering gemaakt. De reden hiervoor is dat wit in deze
eindspelposities een precieze laatste zet heeft moeten doen om tot winst te komen. Die
scherpte rechtvaardigt de uitzondering. In de oorspronkelijke tekst van de regels is dit
verschijnsel omschreven met het woord ‘dualiteit’. Deze term is echter ongelukkig gekozen:
de situatie betreft namelijk geen echte dualiteit (zie 1.9), maar een nevenoplossing in de zin
van artikel 1.8. Om verwarring te voorkomen is in deze vertaling gekozen voor de term
“nevenoplossing” in plaats van “dualiteit”. Hoewel een nevenoplossing normaal gesproken
onaanvaardbaar is, geldt voor de genoemde eindspelposities dus een weloverwogen
uitzondering.
-
In de regels van 2002 was de Franse tekst bindend bij interpretatieverschillen. In de versie
van 2010 werd dat de Russische tekst, aangezien de toenmalige CPI volledig bestond uit
leden uit voormalige Sovjetlanden. Omdat de CPI inmiddels is opgeheven en de huidige
toernooien zich breder oriënteren dan post-sovjet landen, is besloten terug te keren naar de
situatie van 2002: de Franse tekst geldt opnieuw als bindend.
Diagramverwijzingen
Ter verduidelijking zijn in deze vertaling extra diagrammen en voorbeelden opgenomen. Waar
mogelijk zijn deze eenvoudig gehouden, zodat zij voor een zo breed mogelijk publiek begrijpelijk zijn.
Hieronder volgen de gebruikte referenties:
RI 2002: 1, 13, 16, 25, 26, 31–33, 36–43, 46, 47, 55–57, 60, 61 (D. de Ruijter, De Problemist feb. 1992),
62, 63–65, 72 (B. Shkitkin, Kampioenschap USSR 1976), 73, 74, 75 (D. Bosma, Het Damspel mrt.
1931), 77–79.
RI 2010: 23, 24, 58.
H. Lammers: 2–6, 7 (Toernooibase 05-11-2025), 9, 10–12, 14, 15, 17–20, 21 (De Problemist apr. 2024),
27–30, 34, 35, 44, 45, 48–50, 53, 54, 59, 60, 66 (De Problemist jun. 2025), 67–71, 76, 80–83.
S. Yushkevitch: 8 (L’Effort, mei 1983).
NN: 22 / 51 (Het Damspel 1931), 52.